
HET DARTBOARD
De nummering van het dartbord is een vinding uit 1896 en staat op naam van de 44-jarige timmerman Jack Bury. Het zou natuurlijk een stuk makkelijker zijn geweest als Bury de nummers in telvolgorde had geplaatst, maar dan zou er veel minder nagedacht hoeven te worden en dat is niet de opzet.
Heel vroeger werden dartborden gemaakt van hout, deze moesten steeds in water gedompeld worden om bespeelbaar te blijven.
Het wedstrijdbord dat wij tegenwoordig kennen komt uit Londen.
De basis van het tegenwoordige bord is een ronde vezelplaat van 18mm dik.
Hierop worden sisalvezel-borsteltjes gelijmd en geperst onder grote druk.
Het geheel wordt omlijst door een metalen band.
Daarna wordt het bord voorzien van een vakindeling door middel van verschillende kleuren, vervolgens wordt er een metalen web op bevestigd dat diezelfde vakverdeling heeft.
Op de buitenzijde wordt een metalen ring aangebracht waarop volgens de vakverdeling bepaalde cijfers zijn bevestigd.
Deze ring is afneembaar, zodat de cijfers ten opzichte van het bord verschoven kunnen worden. Het is de bedoeling dat het vak “20” midden boven zit.
De ervaring leert dat er veel in het vak, in vaktermen bed genoemd, van de 20 gegooid wordt.
Hierdoor zal de bodemplaat dan ook in dit vak het eerste kapot gaan.
Elke dart die gegooid wordt tast de vezeltjes van het bord aan.
Door de lijmlaag valt het bord niet uit elkaar, maar na verloop van tijd wordt op bepaalde plaatsen een opeenhoping van vezeltjes zichtbaar, in de vorm van bulten.
Het is dan eigenlijk al te laat. Daarom dient het bord na een aantal wedstrijden altijd gedraaid te worden, zodat het cijfer twintig weer boven een nieuw, minder gehavend bed staat.
De 20 staat overigens altijd boven een zwart bed. Neem je deze moeite regelmatig, dan heb je waarschijnlijk veel langer plezier van het bord.
Velen denken nog steeds dat het een dartbord ten goede komt als het regelmatig nat gehouden wordt.
Met de sisalvezel borden is dit echter beslist niet aan te raden.

|